|
|
Ik krijg
elke ochtend pap
en een glaasje vruchtensap.
Mama eet graag drie beschuiten,
een met honing, twee met ham.
Papa eet het liefst een eitje
met een bruine boterham.
En als hij thee giet
in de orden,
roep ik: "Papa! Wakker worden!
Wakker worden!
Het is tijd
voor het ontbijt!"
|
|
|
|
|
Roeren,
roeren
En de koks maar roeren.
Toematensoep
Groentesoep
En kijk, hier hebben we bonensoep!
Allemaal om te eten.
"Jammer"
zegt de kleine kok,
"maar de balletjes ben ik vergeten!"
|
|
|
|
|
Ik ging
vandaag naar buiten,
naar buiten zonder jas.
De zon zei door de ruiten,
dat het nog zomer was.
Buiten was het veel te koud,
veel te koud voor mij.
Malle zon, je had het fout.
De zomer is voorbij.
|
|
|
|
|
Met mijn
laarzen,
in een plas.
Paraplu en
regenjas.
Knalrood blad en
paddestoel,
geven mij een
herfstgevoel
|
|
|
|
|
Het regent
eikels en kastanjes
kijk ze vliegen in het rond
Hier en daar strooien de bomen
beukennootjes op de grond.
Je ziet de paddestoelen groeien
blaadjes worden geel of bruin
Ganzen vliegen naar het zuiden
En 't wordt steeds kouder in de tuin
Een boom verliest zijn laatste blaadjes
De koeien blijven in de stal
Het is of alles wil vertellen
dat het winter worden zal
|
|
|
|
|
Herfst,
herfst ben je daar weer
dat zie ik aan de bomen telkens weer.
blaadjes vallen op de grond,
dansen vrolijk in het rond.
Herfst, herfst ben je daar weer
dat hoor ik aan de wind telkens weer.
jan de wind die blaast de regen,
maar daar kan ik heus wel tegen
Herfst, herfst ga nu maar weer
tot de volgende keer.
|
|
|
|
|
Als de zomer
haast voorbij is
Staat de herfst voor de deur
Dan krijgen alle groene blaadjes
Stuk voor stuk een andere kleur
Soms gaat dat een beetje langzaam
Elke dag een blad of twee
Als de boswachter dus tijd heeft
helpt hij graag een handje mee
Hij staat urenlang te zwoegen
Met een verfbord en penseel
En hij maakt de groene blaadjes
Rood, orandje, bruine en geel
Eindelijk - het laatste blaadje
Nu zijn alle bomen klaar
En als de blaadjes straks gaan vallen
Harkt hij alles bij elkaar!
|
|
|
|
|
Zachtjes
lopen,
oren open,
luister goed en wacht...
Soms hoor je in het sprookjesbos
een elfje
dat lacht |
|
|
|
|
Altijd,
altijd heeft hij lol.
Die grote bruine
grappentrol.
Hij plaagt de dieren
die hij ziet.
Maar vriendjes,
nee, die heeft hij niet.
Die flauwe grappentrol.
|
|
|
|
|
Voor
een slang
ben ik niet bang.
En ook niet voor een pad.
Maar nu zie ik een spin
op het randje van het bad...
Ieieieieie!!!!!
|
|
|
|
|
Tineke
Lupineke
zint in een hoekje.
Ze weeft er een truitje,
ze weeft er een broekje.
Tineke Lupineke
houdt niet van bloot:
ze weeft ook een sokje
voor elke poot!
|
|
|
|
|
Ik mag op de
tafel staan
met mijn nieuwe schoenen aan.
Met mijn nieuwe kralen om,
sla ik op de grote trom.
Hoera, hoera, hoera,
in de gloria!
|
|
|
|
|
Kom eens
kijken,
heel voorzichtig...
Kom een kijken
op de plank...
Flessen vol met vruchtendrank!
Taart en koek en chips en drop...
Morgen is het feest
en dan mag alles op!
|
|
|
|
|
knip, knip,
doet de schaar.
Sint heeft weer een pakje klaar.
Rood en geel
en groen en blauw.
Een voor mij
en een voor jou!
|
|
|
|
|
Sinterklaas,
een goed bericht:
We zijn er bijna,
land in zicht!
Sinterklaas, ik pak uw boek,
en de zakken peperkoek.
Maak maar snel uw mantel dicht.
We zijn er bijna,
land in zicht!
|
|
|
|
|
In het
stadje Suikerhuizen,
Ergens in Luilekkerland,
kroelt het van de chocomuizen.
In hun buikje zit fondant.
Sinterklaas stuurt zeven dagen
zwarte Piet op muizenjacht.
Wie zich netjes heeft gedragen,
krijgt zo'n muisje thuisgebracht!
|
|
|
|
|
Ik wil nat!
Ik wil mijn nieuwe laarzen aan.
Ik wacht al een uur of negen.
Lekker in de plassen staan.
Keihard stampen in de regen.
Toe, ga weg, zon!
Ik wil nat!
Nou, dan ga ik maar in bad!
|
|
|
|
|
Carolientje,
jongedame,
nu ben je wel erg stout!
Zonder jas
en zonder sjaal!
Kindje toch,
da's veel te koud!
Ach, zegt Carolientje rood.
De sneeuwman was zo bloot!
|
|
|
|
|
Ik wil
groter, groter, groter.
Ik wil zo groot zijn als een huis,
dan kijk overal bovenuit,
dan ben ik in drie stappen thuis,
maar ja..........dat huis
dat is dan veel te klein voor mij.
Jammer!
Ik wil kleiner, kleiner, kleiner,
Ik wil zo klein zijn als..... een muis
dan kruip ik door het kleinste spleetje
en niemand kan mijn vinden, weet je,
dan woon ik in mijn poppenhuis
maar ja........we hebben thuis een kat.
Jammer is dat!
|
|
|
|
|

Huisje dicht, huisje open
Kijk, Wie komt daar uitgekropen?
Dit ben ik en dat ben jij
Buiten zijn we allebei.
Oh. de regen gaat beginnen.
Nou dan gaan we toch naar binnen.
En het wordt ook al donker buiten.
laten we het huisje nu maar sluiten.
|
|
|
|
|

Dit is mijn opa,
klein en dik.
Dit is mijn oma,
die breit van rikketikketik.
Dit is mijn papa
groot en sterk
Dit is mijn mama die doet al het werk.
Dit is kleine Jantje
Zo hebben we de hele familie op een handje.
|
|
|
|
|
Ik kan
springen, ik kan draaien
ik kan met mijn armen zwaaien
ik kan klappen in mijn handen
ik kan bijten met mijn tanden
ik kan ook hinken op een been
en ik kan wiebelen met mijn teen.
|
|
|
|
|
ritsen,
haken, veters, knopen
dicht en open
uit en aan
open en weer dichtgedaan
pfffffffffffff...
was ik maar...
was ik maar
was ik maar
een tovenaar!
jaaaaaaaa
Alles ging vanzelf dicht
alles ging vanzelf open
alle ritsen
alle knopen
ik hoefde niets meer dicht te maken
nooit meer veters, nooit meer haken
maar......
ik ben geen tovenaar
dus...ik doe het zelf maar.
.................
he, he, ik ben klaar!
|
|
|
|
|
We varen
over rivieren,
varen varen over de zee.
Varen varen de wereld over,
kom aan boord en vaar maar mee.
Golven rollen, golven klotsen
golven breken, golven botsen.
En we varen varen varen,
in de verte zien we land.
Varen varen naar de kade,
varen naar de waterkant.
Schiet eens op, vooruit vooruit,
ik wil aan wal, de loopplank uit.
Genoeg geschommel en gedein,
vasteland: heerlijk, fijn!
|
|
|
|
|
Ik lig in
bed en zie de maan
hoog in de lucht, hier ver vandaan.
Ik doe mijn ruimtepak gauw aan,
ik moet nog even naar de maan.
Snel stap ik in mijn raket,
aan de kant, opgelet.
drie twee een, pas op pas op,
opzij opzij, wan tik stijg op.
Ik zweef wat rond in mijn raket
tot ik hem op de maan neer zet.
Ik pak mijn stiften en stap uit,
ik kijk en loop wat rond.
Dan teken ik twee ogen
een neus en nog een mond.
Dan ga ik weer met mijn raket
terug naar huis, terug naar bed.
Ik lig in bed en zie de maan
hoog in de lucht, hier ver vandaan.
Ze lacht naar mij en kijkt me aan,
ik fluister: welterusten maan.
|
|
|