Voorleesverhalen

Buitenspelen met Torretje Terra

door Frans Lases

Het was een zwoele septemberavond. De hele dag had het zonnetje hard gewerkt, dus nu was het maantje aan de beurt. Alle kleuterdieren van Klampenland lagen in hun bedjes. Nou ja, bijna allemaal. Want wie wurmde zich daar onder een grote platte steen vandaan? Dat was Torretje Terra. Ze had lang gezeurd of ze nog even mocht buitenspelen. "Voor deze keer dan", had mama gezegd, "als je maar voor het donker thuis bent." "Tuurlijk!" zei Terra "ik weet de weg niet eens in het donker." En ze verdween door het gras."

"He, lekker die frisse lucht; weer een wat anders dan zo'n benauwd huis. Ik zou wel in een boom willen wonen", dacht Terra. Maar ja, haar mama had last van hoogtevrees, dus dat zou niet gaan. "Ik kan natuurlijk wel... ja, dat is het! Ik ga een boomhut bouwen; heb ik mijn eigen speelhuisje."
Terra was zo blij met het plan dat ze direct op zoek ging naar mooie rechte takjes, niet te groot en zeker niet te dun. Ze sjouwde af en aan. Na twee uur had ze al een flinke stapel bruikbare takjes gevonden. Terra was heel druk bezig ze allemaal naar de iekenboom te slepen en merkte niet hoe donker het al werd. Ze keek langs de boomstam omhoog en zocht een tak die stevig genoeg was voor haar hut. Die daar! Niet te hoog en zeker niet te laag. 
Als een echt werktorretje nam ze de takjes op haar schouder en droeg ze met twee tegelijk naar boven. Steeds sneller werkte Torretje Terra: sjouwen, neerzetten, vastbinden, naar beneden, weer naar boven. "Opschieten Terra, het wordt nu echt donker!" Ze had geen tijd haar bouwwerk te bewonderen, ze moest snel aan het bladerdak beginnen. Wat was het donker, ze kon geen hand meer voor ogen zien. Op de tast plukte ze net zoveel blaadjes van de boom als zo nodig had voor het dak. Nu was de boomhut klaar. "Welkom in uw speelhuisje", zei ze deftig, maar toen ze naar binnen wilde kon ze de deur niet vinden, het was pikdonker. Terra begon zachtjes te huilen: "Wat zal mama boos zijn." En meteen brulde ze: "Help, hoe kom ik nu naar huis terug!" 
Op dat moment zag ze een klein fel lichtje, het leek steeds dichterbij te komen. "Hoera, een vuurvliegje!" riep Terra blij. "Wil jij me de weg naar huis wijzen?" Dat deed het vuurvliegje. Ineens was Terra niet meer bang; ze liep gewoon achter het vliegende lichtje aan naar huis. "Terra, mijn torretje, ben je daar eindelijk? Ik was zo bang." "Ik ook mammie, maar dit lieve vliegje heeft me gered." "Bedankt vliegje", zeiden mamma en Terra tegelijk, maar het vliegje was al gevlogen.

***

De fabel van Daan de Haan die meer dan mooi wilde zijn



Daan de Haan ziet er goed uit.
Maar Daan de Haan is een ijdeltuit.
Hij vindt zichzelf de mooste en de beste.
De andere dieren laten hem kletsen.



Op een morgen verschijnt er een Daan die meer op een pauw lijkt dan op een haan.
Hij zegt: 'Dit overkwam mij vannacht.
Er groeide een staart! Is het geen pracht?



Vanaf nu is mijn naam: Prins Daniel.
Ik ben geen Daan meer. Dat zie je wel!'
Trots als een pauw stapt Daan in het rond.
Dan vallen de pauwenveren op de grond.



Lena Eend roept: 'Een vreemd geval!
Groeiden die veren met knijpers en al?
Prins Daniel, doe normaal! Stel je niet aan!
Je bent en blijft gewoon onze Daan!'



Moraal

Als je speelt voor ijdeltuit
dan lacht iedereen je uit
.

***

Tellen (kabouter Plop)


Plop en Klus lopen door het bos. "Plopperdeplop, zoveel vogels!" zegt Plop. "Het zijn er wel twintig!" "Klusserdeklus", lacht Klus. "Jij kan niet tellen, Plop. Ik tel er maar vijf". " Ik kan heel goed tellen", zegt Plop. "Daar geloof ik niets van", zegt Klus. "Want ik ben als het ware de beste teller van het hele kabouterbos!" "Goed", zegt Plop. "Dan houden we een rekenwedstrijd!" Even later zitten Plop en Klus in de Melkherberg. Kwebbel heeft sommen opgeschreven, en die moeten ze nu oplossen. Plop en Klus gaan aan het werk. "Tien min zes", denkt Plop. "Wat gemakkelijk, vier natuurlijk!" "Tien min zes", denkt Klus op zijn beurt. "Wat moeilijk..." En Klus denkt en denkt, maar hij weet het antwoord niet. Na een tijdje is Plop klaar met alle sommen. Maar op het blad van Klus staat nog niets. Plots vliegen de puntmutsen van Klus in de lucht. "Plop!" roept hij. "Ik denk dat je Plopkoeken aanbranden!" Plop springt recht en loopt zijn keukentje in. "Haha!" lacht Klus. Hij kijkt vlug op het blad van Plop en schrijft de antwoorden over. "Plopperdeplop", bromt Plop. "Er is helemaal niets aangebrand!" Plop gaat terug naar de Melkherberg. Daar legt Klus net zijn pen neer. "Klaar!" zegt hij. Plop snapt er niets van. Hoe kon Klus zo snel die sommen oplossen? Als Kwebbel terug is, kijkt ze de sommen na. "Geen enkele fout, Plop" zegt ze. "En jij ook niet, Klus!" zegt ze wat verbaasd. Klus is heel trots. Even later zet Plop een schaal Plopkoeken op tafel. "Als jij zo goed kan tellen, Klus", zegt Plop, "verdeel jij dan de Plopkoeken maar. Er zijn eenentwintig Plopkkoeken en we zijn met drie". Oeps, dat had Klus niet verwacht. " Heu... geef mij maar drie Plopkoeken", zegt hij. "Prima", lacht Plop. "Dan krijg jij drie Plopkoeken". En geeft drie Plopkoeken aan Klus. "Kwebbel en ik krijgen er dan elk negen!" Klus kijkt heel sip. Maar hij beseft dat hij dat alleen aan zichzelf te danken heeft. Eigen schuld, Klus!

***


 

terug

Home